De Sint Martinus-parochie

 

"Ik ben niet iemand die wijkt voor de Ouderdom"
Verleden en heden van de Voorburgse St. Martinus-parochie

Met toestemming: Deel overgenomen van de Uitgave ter herdenking van het 100-jarig bestaan en de restauratie van de St. Martinuskerk te Voorburg (1993).

Enige overeenkomsten met de situatie in de Haarlemmermeer zijn ook in de geschiedenis van kerkgebouwen in Voorburg terug te lezen.

 

De Sint Martinus-parochie in Voorburg kent een lange geschiedenis. Waarschijnlijk heeft er al voor 900 een kapel gestaan in Voorburg gewijd aan de Heilige Martinus. In de 13e eeuw werd de Oude of Martinikerk gebouwd.  De eeuwen daarna is de kerk verschillende keren verder vergroot en verfraaid.

In 1572 werden alle katholieke erediensten verboden waarna het kerkgebouw door de hervormden in gebruik is genomen.

Intussen werden voor katholieken kerkdiensten gehouden bij particulieren thuis, vaak door Jezuïeten. Vanaf de Vrede van Munster in 1648 ontstaat er meer ruimte om godsdienstoefeningen te houden in schuurkerken, later in meer als noodkerk ingerichte kerkgebouwen die er niet als zodanig mochten uit zien, de schuilkerken.

In 1675 wordt de op 875 meter van de Oude kerk gelegen buitenplaats Bijvliet inwendig ingericht voor kerkelijk gebruik. Dat de buitenplaats niet heel stevig geweest zal zijn blijkt uit de volgende tekst:
"De kerk, hoewel onlangs gemaakt, is door haar lichte betimmering wel omtrent vier vingers gezakt; de paal van de oude kerk en waar de nieuwe gezamenlijk op rusten was door het water vergaan, de vloer van de oude kerk was wel vier of vijf voet lager van gewelf als de nieuwe was. Om alle lekgaten daar te voorkomen en de gehele lengte van de kerk onder een gewelf te krijgen, heb (ik) de oude kerk tot de grond afgebroken en een nieuwe onder een gewelf weer opgebouwd". Dit is allemaal uit eigen middelen bekostigd door pastoor van Neercassel.

Het gebouw bevindt zich honderd jaar later in zo een slechte staat dat een nieuwe bouwpastoor, Cornelis Gerardus de Graaff toestemming en geld krijgt om een nieuwe kerk te bouwen. De kerk mocht er van de straat af niet als kerk uit zien.

In 1809 is geprobeerd de Oude kerk weer terug te krijgen voor de katholieken (die in Voorburg in de meerderheid waren) maar dat mislukte.

Vanaf 1820 krijgen katholieken toestemming eigen, publieke kerkgebouwen te hebben. Pastoor Seegers laat de gewone raamvensters snel veranderen in gotische ramen en komt de voordeur aan de straatzijde. Hij laat een toren bouwen die een klok krijgt. Tevens wordt een kerkhof aangelegd.

De jaren daarna werd door architect Molkenboer de kerk grondig verbouwd. Een priesterkoor werd aangebracht en de kerk kreeg een kruisvorm.

Kerk Voorburg 1843Perspectivische impressie van de kerk van 1843, gebouwd naar ontwerp van Theo Molkenboer. De afbeelding op het geschilderde portret van pastoor J. Steenvoorden doet vermoeden dat de kerk er zo heeft uitgezien. Reconstructietekening Joh. P.M. Goudeau.

Jan Steenvoorden 2Schilderij van Johannis Steenvoorden, bouwpastoor van de huidige Sint Martinuskerk. (1822-1905)

 

Onderstaande tekst is overgenomen uit: "Ik ben niet iemand die wijkt voor de Ouderdom". Verleden en heden van de Voorburgse St. Martinus-Parochie (1993).

Steenvoorden

Van 1864 tot 1898 komt weer een pastoor, die als bouwheer zal optreden, Johannis Steenvoorden. Hij is geboren op 31 oktober 1822 te Noordwijkerhout uit een boerengeslacht. Hij krijgt zijn wijding op 12 augustus 1849 en werkt als pastoor in Delfshaven [en o.a. Haarlemmermeer] voordat hij begin juni1864 naar Voorburg komt.

Hij laat de pastorie in 1866 bouwen, nadat het kerkbestuur in februari 1865 de parochianen heeft aangespoord vrijwillig bij te dragen. De aanbesteding had plaats op 24 januari 1866 in de herberg 'De Zwaan'. De architect was H.J. van der Brink van Rijssenburg.Het werk werd gegund aan aannemer C. de Heij voor fl. 13.981. Op de bouw van deze pastorie komt enige kritiek, die door pastoor Steenvoorden wordt weerlegd. Men vindt dat de nieuwe pastorie eigenlijk te luxe wordt uitgevoerd. Een citaat en tevens een beschrijving van de kerk volgt hierbij: "Het betreft een nederig kerkgebouw, als men het grootste gebrek der kerk als eene schoonheid van bouw gaat roemen kan ik nooit hun gevoelens delen. De kerk is bijzonder laag en te lang eerstens in grondslag, terwijl dezelve minstens 0,80 El beneden de kruin der weg ligt en men van het laagste gedeelte der weg nog door middel van twee treeden in de kerk afklimt, terwijl de grondslag zoowel voor deugdelijkheid als schoonheid minstens één El boven de kruin der weg had behoren te zijn, doch bovendien is de kerk primitief gebouwd tijdens de wet welke Katholieken verbood zigtbare kerken te hebben en deze steeds voor het uitwendige slechts een gewoon huis moesten schijnen en daarom heeft men om inwendig zoveel mogelijk te kunnen, het dak als trachten te verbergen door twee zakgoten er in te plaatsen en dit over een spanning van ruim 10 El buitenwerk waarover ook nu plaats van een afgaand dak ^ verkrijg deze lage vorm ^^^ dit. Een en ander maakt het mij ondoenbaar om beneden de kerk te blijven".

Kerk Voorburg dakconstructie 1774

In 1875 maakt pastoor Steenvoorden een reis naar Rome en heeft hij een ontmoeting met paus Pius IX.

In 1878 moet het voegwerk van kerk en pastorie hersteld worden evenals delen van het leien dak. In 1879 laat de pastoor ook de koepel in de tuin van de pastorie aan de Vliet slopen; deze is te bouwvallig geworden. Begin januari 1882 verzoekt hij om toestemming om de kandelaarstafels en het tabernakel te vervangen. Deze waren van hout en zij worden nu van marmer gemaakt, tevens komt er een brandvrije solide tabernakel. In 1882 zal pastoor Steenvoorden ook het gesticht bouwen, destijds beter bekend als het Zusterhuis van de orde Onze lieve Vrouwe van Amersfoort.

[...] In de jaren van pastoor Steenvoorden ontvangt de kerk van verschillende gelovigen kostbare schenkingen, waaronder ter gelegenheid van zijn 25-jarig Priesterfeest [1874] 'zes zilveren kandelaars, vier door de parochianen en twee door twee afzonderlijke parochianen'.
Er wordt ook uit de kerk gestolen. De burgemeester doet aangifte van de inbraak. Een zilver-vergulde kelk, een verguld-zilveren ciborie, een krans met juwelen bezet, en twee metalen koorbellen.
Ook de pastoor schrijft een brief aan de bisschop waarin hij verklaart dat de waarde van de gestolen goederen geen fl. 50.000,- bedraagt zoals de kranten beweren, doch slechts fl. 2.000,- [...]

In 1870 koopt pastoor Steenvoorden voor fl. 8.100,- een stuk land, groot 2 bunders en 58 roeden en 23 ellen, met bouwmanswoning en stalling en twee twee arbeiderswoningen, dat naast het kerkhof gelegen was. Op 26 augustus 1879 werd besloten een machtiging te vragen om het perceel Noordervliet aan te kopen. Deze aankoop werd als noodzakelijk gezien voor een eventuele verbouwing of vernieuwing van de kerk. Al jaren werden diverse mogelijkheden besproken. Zo werd 18 september 1889 (*) met algemene stemmen besloten de herbouw van de kerk op dezelfde plek te doen plaatsvinden. Indien daartoe besloten zou worden, zou het kerkhof verlegd moeten worden om ruimte voor een noodkerk te verkrijgen. En zo brak de tijd aan voor pastoor Steenvoorden om een geheel nieuwe parochiekerk te bouwen.
Hij ontvangt veel giften, onder andere van Theodorus Coenradus van Veen, warmoezenier op de tuinderij 'Het Paradijs'. Ook een eigen bedrag van pastoor Steenvoorden wordt gebruikt: hij was in 1889 25 40 jaar priester en had fl. 10.000,- ontvangen, welk bedrag hij wenste te verdubbelen voor de kerkbouw. Van de bisschop van Haarlem komt de machtiging op 12 december 1890 (*). Besloten wordt op 15 mei 1890 de architect [ E.J. Magrij, Rotterdam] uit te nodigen om het terrein te bezichtigen om 'daarna plannen te beramen'.

Dan komt alles in een stroomversnelling, op 7 december 1890 zijn de plannen, de tekening en de begroting goedgekeurd. Er is toestemming voor het sluiten van een lening van fl. 50.000. Dat is natuurlijk niet voldoende, zodat er een beroep gedaan zal moeten worden op de parochianen om ieder naar vermogen bij te dragen. De pastoor zet zich geheel in en schrijft: 'Voor God nog een Schoon Huis te moeten bouwen' en ondertekent zijn brief met 'Met de meeste hoogAchting Uw ridderlijke Overwinnaar J. Steenvoorden (pas)'.
Op 11 februari 1891 wordt er gesproken over de bouw van een noodkerk, ter meerdere verzekering voor soliditeit van het kerkgebouw, welke volgens tekening en bestek in twee gedeelten gebouwd zal gaan worden.Datzelfde jaar in oktober wordt een noodkerk gepland op het land van C. van der Ham naast het kerkhof.

[...] De tijdsbepaling wordt eveneens in het bestekboek door de architect aangegeven: -Het eerste gedeelte moet opgeleverd zijn vóór of op 15 november 1891, het tweede gedeelte moet precies één jaar later opgeleverd worden. De nog staande kerk met de toren en sacristie wordt eigendom van de aannemer, maar alle kerkmeubelen blijven van de kerk. Hieronder vallen ook de klok en het uurwerk en het grote reliëf voorstellende de H. Martinus. Oude stenen en hardstenen dorpels mogen wel weer gebruikt worden als er toestemming is van de opzichter. Zo zijn in de huidige kerk nog zaken te vinden van het oude gebouw.
Voor de bouw van de kerk is ongeveer 3 meter van het kerkhof afgenomen, zodat de kerk deels op het oude kerkhof is gebouwd.
Op 24 april 1893 vond de consecratie plaats door Z.H. Exc. den Bisschop van Haarlem, Mgr. Caspar J.M. Bottemanne. [...]

 

Pastoor Steenvoorden wist waar hij stond. Als de loco-burgemeester T.J.M. van Everdingen hem gebiedt om op 30 juli 1888 ten gemeentehuize te verschijnen om te spreken over het reinigen van de sloot langs de kerk, schrijft de pastoor dat hij thuis blijft en van dergelijke zaken niet gediend is.

Hij wordt na een zeer werkzaam leven eervol ontslagen op 1 juni 1898 en vertrekt naar Warmond, waar hij op 26 mei 1905 overlijdt.Curieus is te vermelden, dat pastoor Steenvoorden de eerste pastoor was van de Haarlemmermeer.

 

 

 (*) Er lijkt wat fout te zitten in de genoemde jaartallen. Waarschijnlijk is in augustus 1879 het besluit genomen een nieuw kerk te bouwen en wordt de machtiging van de bisschop verkregen in december 1879. Mei 1890 komt de archtect kijken en december 1890 worden de tekeningen goedgekeurd. De aanbesteding volgt in maart 1891, waarna in juli 1891 de Eerste steen gelegd wordt.