Pastor Litjens over Steenvoorden

 

Het ontstaan van de parochie Hoofddorp
en de omstandigheden waarin pionier-pastoor Steenvoorden van 1855-1862 zijn werk deed

Inleiding gehouden voor de ouderenochtend op 14 oktober 1999, door pastoraal werker Fons Litjens.

 

Uit de voorbereidingscommissie: het zou leuk zijn om iemand eens een keer iets te laten vertellen over de geschiedenis van de parochie.
Ik dacht onmiddellijk: dat wil ik wel doen.
Zolang ik in Hoofddorp werk heb ik materiaal verzameld over de eerste pastoor, die in 1855 naar de Haarlemmermeer kwam en er zeven jaar bleef. Ik heb altijd een zwak gehad voor deze pionier, die op dezelfde leeftijd als ik in de Haarlemmermeer begon; in Tolenburg heb ik mezelf wel eens een beetje verwant met hem gevoeld.

Wat zijn de bronnen? Hoe kom ik aan informatie over hem?

  • brieven die Steenvoorden schreef: archief van het bisdom Haarlem (in 1853 opgericht en en de eerste bisschop Van Vree nam strak de leiding bij het plannen maken voor de Haarlemmermeer).
  • in het archief van de parochie: memoires van Steenvoorden: een met de hand geschreven stuk, dat helaas niet helemaal bewaard is gebleven: zijn persoonlijke visie.
  • in 1931 schreef de kerkhistoricus Rogier een artikel over Steenvoorden, waarin hij een karakterschets geeft van deze man.

 

1. Joannes Steenvoorden

Wie is Joannes Steenvoorden?

Als hij in de Haarlemmermeer begint te werken is hij 33 jaar oud. Hij is geboren in 1822 in De Zilk, gemeente Noordwijkerhout als de 3e van zes kinderen. Zijn ouders hebben een boerderij. Als hij 15 jaar oud is overlijdt zijn moeder.

Waar heeft hij de Middelbare school of Kleinseminarie gedaan? Grootseminarie in ieder geval in Warmond. Hij is 27 jaar als hij daar klaar is met zijn studie.

Beoordeling door de regent van Warmond: 'een brave, goede maar enigszins woeste jongen; middelmatige student; zijn preken zijn nogal redelijk, maar wat woest'.

Toen hij naar de Haarlemmermeer kwam had hij zes jaar pastorale ervaring. Hij begon zijn carrière als kapelaan in 's-Heerenhoek, dat ligt in Zeeland op het eiland Zuid-Beveland; tot zover strekte zich het bisdom Haarlem toen uit. Daar bleef hij precies een jaar.

Daarna was hij nog geen maand kapelaan in West-Friesland. De langste tijd was hij in Amsterdam, dik 4 jaar. Daarna nog een jaar in de Beemster. Zo ging dat met kapelaans in die tijd.
Op 30 november 1855 werd hij, 33 jaar oud, door bisschop Van Vree benoemd tot pastoor van de Haarlemmermeerpolder. Van Vree was de eerste bisschop van het nieuwe bisdom Haarlem, dat in 1853 werd opgericht. Bisschop Van Vree nam na de drooglegging van de polder onmiddellijk het initiatief om iets van pastorale zorg op te bouwen voor de eerste bewoners. Hij dacht aan zijn woeste student van het seminarie.

Als Steenvoorden in het najaar van 1855 in de polder komt kijken, wat treft hij daar aan?

 

2. Haarlemmermeerpolder in 1855

1852: de polder is na jaren van pompen drooggevallen. Door polderwerkers wordt er een netwerk van vaarten en wegen aangelegd en wordt de grond verkaveld.
Vanaf 1853 wordt de grond verkocht, vooral aan mensen die hun geld willen beleggen. Boeren, landarbeiders en middenstanders beginnen er zich te vestigen. Veel polderjongens blijven hangen met hun gezinnen en zoeken een plaatsje op de ringdijk. Ze wonen in hutten of keten.

De sociale situatie is moeilijk. In de winter van 1853 - 1854 heerst er een cholera-epidemie. Er is geen schoon drinkwater. De winter van het jaar erop, 1854 - 1855, was zeer koud en het werk stond stil. In 1855 worden de bestuurlijke gemeente Haarlemmermeer en het Waterschap van de Haarlemmermeer opgericht. Er zijn dan tussen de 3.000 en 4.000 inwoners in de Haarlemmermeer waarvan ongeveer 1.200 katholieken.

 

3. Huisvesting voor Steenvoorden

Een groot probleem voor Steenvoorden was waar hij moest gaan wonen. Uit zijn herinneringen lezen we:

Het was niet mogelijk om een enigszins geschikte woning te vinden.Omdat er nog nauwelijks bebouwing was en de eerste bewoners woonden in strooien hutten, keet genoemd, die met klei bedekt waren. De bewoners sliepen op stro. In het midden van de hut brandde een turfvuur en de rook zocht zich een weg door het strooien dak.

Daar had de jonge pastoor natuurlijk geen zin in.

In december nam hij voor twee weken zijn intrek bij een familielid in Heemstede op de hofstede Ipenrode (ik heb niet kunnen vinden waar dit was). [Ipenrode was een buiten in Heemstede dat uit twee landhuizen bestond, de Voorkoekoek en de Achterkoekoek. Ipenrode heeft een eigen schuilkerk gehad. Wellicht is dat de reden dat hij daar onderdak kon vinden. In 1874 was Hendrik van Wickevoort Crommelin - die ook meerdere kavels in de Haarlemmermeer bezat - eigenaar van hofstede Ipenrode].
Via relaties in Vogelenzang kreeg hij twee kamers ter beschikking op een boerderij aan de Sloterweg, hoeve Rijkstee. Een kamer gebruikte hij als kapel waar hij dagelijks de mis opdroeg en gelegenheid gaf om te biechten. De andere was zijn woning.
In het najaar van 1856 kon hij een deel van een woning aan de Hoofdvaart betrekken.

In 1857 kreeg hij de beschikking over een stuk land aan de Kruisvaart waar hij een noodkerk met pastorie bouwde; daar staat nu de huidige kosterswoning, die in 1893 werd opgetrokken op de fundamenten van de eerste 'pastorie'.
In 1860 was de huidige kerk en pastorie klaar en had hij eindelijk een fatsoenlijk onderdak.

 

4. Eerste werkzaamheden: vieringen!

De eerste zorg van pastoor Steenvoorden betrof het geestelijk welzijn van de katholieken in de Meer. De katholieken die op de dijk langs de ringvaart woonden, zochten hun toevlucht bij de buiten de polder gelegen parochies. Zij die meer in de polder woonden waren door de lange afstanden en de slechte wegen niet in de gelegenheid om daar ter kerke te gaan. Volgens Steenvoorden waren de gevolgen verderfelijk. Velen verflauwden in hun geloof en de pastoor was bang dat ze gehoor zouden gaan geven aan de protestante zendelingen, die in de polder actief waren.

In het centrum van de polder, op de kruising van de Hoofdvaart en de Bennebroekerweg, stond een houten schuur waar 's zondags protestante kerkdiensten gehouden werden. De eigenaar stelde welwillend de schuur ook ter beschikking aan de katholieken.
Steenvoorden beschrijft in zijn memoires op humoristische wijze deze schuur:

De kerk was een houten loods of schuur, doch ongelukkig niet van de beste soort, met pannen gedekt, waaraan men evenwel geen kalk verspild had, of om het juister te zeggen, volstrekt niet gebruikt had. De pannen lagen er ordeloos op, zodat men geen moeite hoefde te doen om op talloze plaatsen de schone hemel te aanschouwen. Het was de werklieden hadden gevreesd, dat het ons daarbinnen aan frisse lucht en licht zoude ontbreken en derhalve nog hadden gepoogd om het ons van boven te bezorgen. In dit geval beantwoorde het dak zeer goed aan hun verwachtingen en mocht er al iets hebben ontbroken de brede gapingen tussen de planken aan de zijkant zouden het tekort gemakkelijk hebben aangevuld. Vandaar gebeurde het meermalen, dat hagelstenen en sneeuwvlokken in al hunne frisheid daarbinnen drongen om ons te overtuigen dat wij niet buiten hun bereik waren.
Aan de Z-O zijde stond het altaar: een houten tafel met een geschilderd antipendium [versierd kleed om het altaar]. Het buitenschot was daar bekleed met witte katoen. Aan de ene kant was de zogenaamde sacristie, afgezet met planken die de schaaf altijd hadden ontweken. Het inwendige was ook zeer eenvoudig en was een leeg vierkant, waarin men nimmer hoefde te vrezen dat men zich aan iets zou stoten of dat men iets omver zou lopen, want er was noch tafel, noch stoel, noch kast. Aan de andere zijde was de biechtkamer, alleen met dit verschil dat er een stoel stond en een knielbank. Voor het altaar bevonden zich twee grote schuifdeuren, die geopend en gesloten werden al naar gelang de H. Mis begon of geëindigd was. Dit was om te voorkomen dat het niet tot voorwerp van bespotting werd voor hen, die steeds de spot drijven met wat zij niet kennen. Dan stonden er twee rijen banken en enige stoelen en dan kwam men aan een lezenaar bestemd voor de voorzanger. Daarop lag 's zondags een kolossale bijbel waarachter de heer voorzanger bijna geheel verdween. Hij stond met zijn gezicht naar de hoorders of medezangers en met de rug naar de eerwaarde heer predikant.

Op zondag 23 december 1855, de vierde zondag van de advent, werd er voor de eerste keer de mis opgedragen. DE benodigde spullen leende hij voor die gelegenheid van de pastoor van de Bavo in Heemstede. Pastoor Steenvoorden schrijft vermakelijk over die eerste zondag:

Het aantal aanwezigen was gering, omdat het nog niet genoeg bekend was en omdat vanwege de dooi de wegen zeer slecht begaanbaar waren. Het aantal overtrof echter dat van de protestanten. Slechts zes woonden de kerkdienst bij, de voorzanger en predikant niet meegerekend. Deze man vond zeker nimmer zijn ijver minder beloond dan op deze dag. Per trein in Vogelenzang aangekomen werd hij vandaar door een koetsier afgehaald. Omdat het weer slecht en koud was ontbrak hem de lust om de predikant ter plaatse te brengen. Hij verzocht hem na een kort stuk uit te stappen en verder de weg te voet af te leggen, omdat de paarden dreigden te vallen, want het ijzelde sterk. De predikant kwam stijf van ijs ter plaatse aan en ging zich eerst ontdooien in een zogenaamde ark of schout of kroeg, die over het water daar aanlegden waar de meeste arbeiders gevonden werden om in hun gewone jeneverdorst te kunnen voorzien.

De katholieken kregen de vaste tijd van 9 tot 10 uur, waarna de protestanten aan de beurt waren. De onderlinge verhoudingen waren niet aangenaam. De pastoor schrijft in zijn memoires:

De mis moet om tien uur geëindigd zijn om te voorkomen dar er klachten kwamen van de commissie van protestanten. Hun klacht was dat het anders zo hinderlijk was. De ware reden was dat de protestanten dan zouden zien dat de katholieke godsdienst vruchtbaarder was dan het protestantisme en dat het aantal katholieken dat de mis bezocht groter was dan het aantal protestanten dat de kerkdienst bijwoonde.

U merkt: de verhoudingen tussen katholieken en protestanten waren in die tijd nog spannend. Steenvoorden schrijft een beetje neerbuigend over hen en voelt zich ver boven hen verheven; misschien wek vanuit een soort minderwaardigheidsgevoel.

Gedurende de winter trok de pastoor elke zondagmorgen in alle vroegte van zijn woning aan de Sloterweg naar de noodkerk in het midden van de polder. In zijn memoires schrijft hij uitgebreid over die wekelijkse reis:

Alleen te paard was dit te doen, met hoge laarzen aan de voeten, een Gutta Perga jas en een hoed van glad leer. [Gutta Percha is een product dat wordt verkregen uit het melksap van guttaperchabomen uit Indonesië. Het lijkt enigszins op rubber, maar is harder].
De afstand van mijn huis tot de kerk bedroeg twee uren lopen en legde ik te paard stapvoets in anderhalf uur af, zo onbegaanbaar was de weg. Soms zakte het paard tot aan zijn knieën weg; soms zelfs tot de buik toe, zodat ik in groot gevaar verkeerde in het slijk te vallen en vertrapt te worden. Alles wat ik voor mijn mis nodig had moest ik met me meenemen. Ik had daartoe twee leren koffertjes aangeschaft. Deze werden met riemen aan het zadel vastgegespt en hingen aan beide zijden van de hals van het paard. Mijn ontbijt nam ik ook steeds mee en vanwege de vorst was ik gedwongen om de wijn en het water in mandflesjes in mijn zak te houden tot het begin van de H. Mis om te voorkomen dat het zou bevriezen gedurende de lange tijd dat ik onderweg bezig was met het horen van d biecht en de voorbereiding van het altaar.

Deze situatie duurde voort tot het najaar van het volgend jaar. Toen kreeg men de beschikking over twee schuren: een in de buurt van het huidige Hoofddorp en een in het huidige Lijnden. Steenvoorden beschrijft, dat hij elke morgen om half zeven van huis ging om om half negen in Hoofddorp de mis te lezen.; van tevoren was er gelegenheid om te biechten. Na de mis vertrok hij per paard naar Lijnden, een reis van een uur en een kwartier; 's winters lukt het niet om voor elven met de mis in Lijnden te beginnen. Tijdens de mis wilde hij de tijd nemen om te preken, want het was het enige moment dat hij zijn parochianen zag. Na de mis in Lijnden hield hij nog kathechismusonderricht voor de kinderen. Dat moest op zondag, want door de week en vooral in de zomertijd moesten de kinderen van de polderjongens op het land werken en geld verdienen. Bovendien moest Steenvoorden door de week op pad voor andere zaken; welke zaken? Dat komt later. Vaak was hij dan eerst om twee uur weer thuis op hoeve Rijkstee.

    Communicanten   Overledenen   Aangenomenen
 1856    246        
 1857    492        19
 1858    500    59    21
 1859    353    112    
 1860    275    71    
 1861    341    58    20
 1862    597    50    24

 

5. Belangrijkste doel: kerken bouwen

Steenvoorden was naar de Haarlemmermeer gekomen met de opdracht van de bisschop om drie kerken te bouwen: een in wat nu Lijnden heet, een in wat nu Hoofddorp heet (met een pastorie en kerkhof) en ee in wat nu Nieuw-Vennep heet.

Waarom deze drie kerken? Voor de polder waren twee dorpen gepland, opdat de dienstverlening voor alle polderbewoners bereikbaar was; ofwel binnen de polder, ofwel buiten de polder. Dat bood geen oplossing voor het noorden van de polder, waar de afstanden tot Hoofddorp veel groter waren en de verbindingen met de overkant slecht of helemaal niet. Vandaar de keuze van de bisschop om ook in Lijnden een kerk te laten bouwen. Achteraf: Hoofddorp en Nieuw-Vennep een prima keus, maar Lijnden...?

Lijnden en Hoofddorp kregen prioriteit, Nieuw-Vennep werd door hem voorlopig als onhaalbaar beschouwd en werd uitgesteld tot later. Waarom deze keuze? Steenvoorden beschouwde dit als zijn hoofdtaak, waar hij door de week veel mee bezig was. Er werd een commissie door de bischop benoemd, waar twee parochianen in kwamen te zitten: Petrus Beers als penningmeester en Antonius an Eks als secretaris.

  Jan Steenvoorden brief kerkbestuur 1861   

Hoog Eerwaardig Heer,

Ingevolge Uw H Ens (Hoog Edelen's ?) verlangen heb ik de Eer Uw Hoog Edele de volgende personen voor de kerkbesturen der beide kerken voor te stellen en wel voor de kerk van den H. Joannis den dooper [Hoofddorp], Petrus Beers, Joannes Tol en Wilhelmus Veldhuizen, en voor de kerk van den H. Franciscus van Sales [Lijnden], Cornelis Conijn, Joannes van der Hulst en Petrus Helman.

Ik ben zoo vrij Uw Hoog Edele hierbij te herinneren dat hiervoor de Commissie voor den bouw der kerk waarvan Petrus Beers en Antonius van Eks en ik de leden waren haar werk geleden (?) heeft en mogt Uw Hoog Edele goed vinden voor de derde kerk een commissie te benoemen, kan mijns bedunkens nuttig zijn kon dan zoude ik daarvoor personen kunnen vragen.

 

Hoog Eerwaarde Heer, Uw Hoog Edele der Dienaar

J. Steenvoorden Des.

Haarlemmermeer den 26 Dec. 1861

 

Om die kerken te kunnen bouwen moest Steenvoorden een aantal dingen doen:

a: grond voor de bouw verwerven

Dat had heel wat voeten in de aarde. De overheid had in het ontwerp van de dorpen Hoofddorp en Nieuw-Vennep grond gereserveerd om kerken te bouwen, gratis. Steenvoorden zag dit niet zitten. Men moest op eigen kosten de grond ophogen met zand. Het was te dicht bij de protestantse kerk en te ver van het geplande katholieke kerkhof. De overheid gaf uiteindelijk toestemming om buiten het dorp te bouwen.
De bisschop gaf toestemming om grond te kopen, maar Steenvoorden was slim en probeerde rijke katholieke grootgrondbezitters te bewegen hem gratis grond te schenken voor de bouw van de kerken. Dat lukte hem. Voor de kerk in Hoofddorp kreeg hij een stuk grond van de heer van Berkel, oud-burgemeester van Delft. Voor de kerk in Lijnden liet hij via een stroman onder strikte geheimhouding grond kopen van protestantse grondbezitters, die zich er niet van bewust waren, dat hun grond gebruikt zou worden voor een roomse kerk. Het  was dus een uitgekookte man. die pastoor Steenvoorden.
Soms echter wensten de grondeigenaren iets terug te ontvangen voor hun gift. Zo stelde Van Berkel als eis dat de kerk van Hoofddorp als eerste af zou komen en dat hij of zijn zetbazen altijd de beschikking zou hebben over drie gereserveerde plaatsen in de kerk: twee voor mannen en een plaats voor een vrouw. Steenvoorden vond dat hij aan die eis niet tegemoet kon komen; het leidde tot vele bezoeken en lange correspondentie met de familie en de bisschop.

b: contact met de landelijke overheid om toestemming te verkrijgen

Daar ging veel tijd in zitten. Reizen naar Den Haag en veel brieven schrijven. Ook veel schriftelijk contact met de bisschop van Haarlem, want hij mocht bijna niets ondernemen zonder toestemming van Haarlem.

c: financiën verzamelen

Steenvoorden had een zware dobber aan het verkrijgen van de benodigde financiën. Steenvoorden maakte de volgende inschatting van zijn parochianen:

De algemene toestand van de Meerbewoners was heel ongunstig voor het bouwen van kerken. Op de eerste plats woonde er weinig bemiddelde katholieke grondeigenaren in de polder, die bovendien in de eerste jaren slechts met grote moeite hun gronden tot middelmatige vruchtbaarheid konden brengen en vaak zelfs daar niet in slaagden.
De overige katholieke bewoners waren arbeiders, die uit alle streken van Nederland kwamen toegesneld om wat zij elders niet vermochten hier door arbeid in hun onderhoud te voorzien. Dat slechts weinigen van hen tot iets te brengen waren zal wel niet te hoeven worden gezegd, vooral als men de geringe godsdienstijver van dit soort van mensen kent, dat gewoonlijk van de ene droogmaking naar de andere verhuist; ze dragen in de regel de naam van polderjongens.
een derde klasse van bewoners bestond uit mensen die het toezicht hielden op de boerderijen an grote katholieke of protestantse grondeigenaren. En ofschoon deze in beschaafdheid de anderen overtroffen was dit niet het geval wat de geldelijke middelen betreft, omdat de grondeigenaren buiten de polder woonden en zich weinig van de zaak aantrokken en zelfs de geringste bijdrage weigerden, ofschoon zij bezitters waren van honderden bunders grond.

Er werd op allerlei manieren geprobeerd om aan geld te komen:

  • de bisschop bepaalde in 1857, dat er in elke parochie in het bisdom een collecte gehouden moest worden. Van parochies kwam geld binnen: in totaal fl. 8.175,86. Menigmaal ging Steenvoorden de preekstoel op om bedelpreken te houden.
  • Steenvoorden gaf zelf giften: fl. 381,25.
  • Steenvoorden ontving van allerlei particulieren. o.a. via bisschop van vree: fl. 21.661, 26. Daar stond soms ook een tegenprestatie tegenover. Zo vermaakte baron van Brienen in 1858 per testament drieduizend gulden voor de bouw van de twee kerken, onder voorwaarde dat er 50 jaar lang maandelijks een mis tot zijn intentie werd opgedragen.
  • in de jaren 1858 en 1859 werd er in de parochie een loterij georganiseerd. Opbrengst fl. 11.657,50
  • subsidie van het rijk en de provincie: fl. 12.000,- en fl. 6.000,-.
  • collecte in eigen parochie t.b.v. de inrichting van de kerk: fl. 1.044,95.

d: kerken bouwen

Op 23 november 1858 konden de kerken van Lijnden en Hoofddorp, inclusief pastorie volgens tekeningen van architect Molkenboer worden aanbesteed. Het werk werd aangenomen door een aannemer uit Tilburg. Helaas ging de aannemer aan deze onderneming failliet, maar Steenvoorden kreeg het voor elkaar, dat de kerken en de pastorie afgebouwd mochten worden.
Op 24 mei 1860 werd de kerk in Hoofddorp door bisschop Van Vree van Haarlem geconsacreerd.
Het jaar daarvoor was het kerkhof aangelegd door ophoging met zand, dat men liet halen bij Cruquius.

Daarmee was de opdracht van Steenvoorden in vijf jaar voltooid. Hij bleef nog twee jaar. Op 10 april 1862 werd de Haarlemmermeer opgedeeld in drie parochies: Lijnden, Hoofddorp en Nieuw-Vennep. Steenvoorden had zijn taak volbracht en verliet Hoofddorp. het zal bij die gelegenheid zijn dat er een schilderij van hem gemaakt werd, dat hij cadeau kreeg en meenam naar zijn volgende parochies.

 

6. Verdere carrière van Steenvoorden

Hij werd benoemd tot pastoor van Delfshaven in Rotterdam en twee jaar later tot pastoor van Voorburg. Daar bleef hij 34 jaar tot hij op 76 jarige leeftijd eervol ontslag kreeg als dienstdoend pastoor. Hij verhuisde naar Warmond, waar hij in 1905 overleed, 82 jaar oud.

Hij bleef de bouwpastoor, want in Delfshaven raakte hij meteen betrokken bij de nieuwbouw van de ekerk die bezig was. Op eigen houtje bepaalde hij dat de kerk vijf meter langer moest worden, waarvoor zelfs een stuk van de gracht gedempt moest worden. Daardoor kreeg hij ruzie met het kerkbestuur.

In Voorburg bowde hij een nieuwe pastorie en een zusterhuis, waarin een bewaarschool, naaischool en een bejaardenhuis onderdak vonden. Bovendien werd onder zijn leiding een grote nieuwe kerk gebouwd.

 

7. Wat voor een pastoor was Steenvoorden

Hij was voor een klus ingehuurd en die klus heeft hij verwezenlijkt: de bouw van twee kerken, een pastorie en de oprichting van drie parochies. Wat dat aangaat was hij de juiste man op de juiste plaats. Hij was voor alles een echte bouwpastoor. Daar had hij de kwaliteiten voor; hij kon onderhandelen, geld werven, contacten leggen, plannen maken, en voor alles, doorzetten. Een typische pastoor voor de 19e eeuw, waarin sprake was van een katholieke opleving met zeer veel bouwactiviteiten. Wat dat betreft heb ik veel bewondering voor de man.

Wat was het voor pastoor?

Hij maakte zich zorgen over het geestelijk welzijn van de katholieken in de polder.Zijn eerste prioriteit was het starten van een mis op zondagmorgen. De toeloop was niet groot. Zelfs met Pasen, toen de kerkgang verplicht was, bedroeg het aantal kerkbezoekers gemiddeld niet meer dan 400, nog geen derde van zijn parochianen.
In 1861 probeerde hij te starten met een lof op de zondagmiddag, maar dat was blijkbaar ook geen succes, want enkele weken later stopte hij ermee. Voor de kinderen hield hij op zondagmiddag kathechismusonderricht. Kortom, de interesse van de parochianen was niet groot. Ze hadden het waarschijnlijk te druk met gewoon overleven. De afstanden waren groot en de wegen slecht, zeker in de winter. Waarschijnlijk zochten de katholieken die aan de rand woonden hun toevlucht bij de parochies op het oude land, zoals dat nog steeds het geval is.

Uit zijn memoires krijg je niet de indruk dat hij veel interesse had in het wel en wee van de parochianen. Wanneer hi een beschrijving van zijn parochianen geeft, dan is zijn voornaamste interesse wat hun financiële bijdrage is voor de plannen.

Niets schrijft hij over aandacht voor de vele behoeftigen en armen. Niets over de vele sterfgevallen. Bijvoorbeeld: in 1859 heeft hij 112 begrafenissen, bijna 10% van de parochianen. Bijna om de dag een begrafenis. Geen woord erover.

De kerkhistoricus Ludovicus Jacobus (Louis en Lodewijk) Rogier beschrijft Steenvoorden in 1931 (25 jaar na zijn dood) hoe Steenvoorden in Delfshaven herinnerd wordt. Hij was een fors gebouwde veertiger, met bruuske manieren en een werker van rusteloze bedrijvigheid en een van de merkwaardigste pastoors die de parochie gehad heeft. Het kerkbestuur weet niet wat hen overkomt. Hij raadpleegt niet, maar commandeert. Het liefst rijdt hij met zijn paard rond en knoopt heel gemakkelijk gesprekjes aan, met boeren en met rijke stadsbewoners. Hij raakt bevriend met de burgemeester en met de predikanten.

Steenvoorden had ook geen geduld. Op de meest ongelegen ure overviel hij de kerkmeester. Iemand vertelde dat de pastoor zijn vader nodig had voor iets. Zijn vader lag echter een middagdutje te doen, omdat hij 's morgens vroeg op moest. Zonder aarzelen liep hij naar zijn bed en porde hem met zijn wandelstok wakker en bulderde zijn instructies.
Ruzie kreeg hij niet, omdat hij alle tegenspraak en protesten radicaal negeerde.
Zijn grote liefhebberij was zijn paard, dat hij bleef berijden tot op hoge leeftijd, ook in Voorburg.

Kortom, het was geen gemakkelijk heerschap, een echte solist. Zo waren in die tijd veel pastoors, maar Rogier benadrukt dat deze eigenschap nog eens versterkt was in de Haarlemmermeer: een eenzame en moeilijke tijd, waarin het aankwam op eigen kracht en doorzetten.
hij had een commissie van twee mensen om zich heen, maar wat deden zij? Hij schrijft er niets over. Hij had een secretaris, maar veel brieven schreef hij zelf. De medewerking van de leken beperkt zich tot het bij elkaar brengen van het geld voor de bouw van de kerken en de pastorie.

Van oecumene was nog geen sprake, ook al deelde men het gebouw in de begintijd. Hij schrijft neerbuigend over de protestantse gemeenschap, maar met de predikanten raakt hij later echter weer bevriend, als notabelen onder elkaar.

Hij schrijft met veel humor over de pionierstijd, ook dikt hij de moeilijkheden misschien nog aan, zeker als hij zijn memoires op latere leeftijd geschreven heeft, het krijgt iets heldhaftigs.

Ik blijf het een interessante man vinden, die collega uit een ver verleden. Ik noem hem collega, ook weet ik niet of hij mij als collega beschouwd zou hebben, als hij nog eens zou kunnen terugkomen.
Wat zou hij van de Haarlemmermeer vinden? Wat zou hij van de parochie vinden? Zou hij er tevreden over zijn? Wat zou hij van het kerkelijk leven nu vinden, dat door bijna 500 vrijwilligers gedragen wordt? Wat zou hij van de diensten vinden, die nu door even veel mensen bezocht worden als 140 jaar geleden? Ik weet het niet.
Wat ik wel weet is dat de veranderingen in die 140 jaar immens groot zijn geweest en dat er ondanks die grote veranderingen er toch een rode draad is gebleven, die begint in 1855 bij pastoor Steenvoorden en loopt tot op de dag van vandaag.

 

Fons Litjens, pastor Haarlemmermeer (1999)