Nieuw-Vennep

 

Geschiedenis van de parochie van Onze Lieve Vrouw onbevlekt ontvangenis te Nieuw-Vennep gemeente Haarlemmermeer

Een woord vooraf.

Van onderstaand verhaal is niet met zekerheid te zeggen wie het geschreven heeft. Meest waarschijnlijk is dit Joannes Bruijstens geweest. Hij was kapelaan onder pastoor Wilhelmus Boerkamp, die de opvolger van Johannis Steenvoorden was.
Joannes Bruijstens was kapelaan aan de Joannes de Doperkerk van Hoofddorp van 1863 tot 1865, dus nadat Johannis Steenvoorden naar Delfshaven was vertrokken.

Het is niet duidelijk of hij het verhaal over de geschiedenis van de R.K. kerk in Nieuw-Vennep heeft afgemaakt of niet. Zijn verhaal gaat eigenlijk over de tijdelijke, noodkerk van Nieuw-Vennep.
Wat is aangetroffen is zijn beschrijving van de periode van voor de droogmaking van het Haarlemmermeer tot aan zijn vertrek naar zijn volgende parochie. Daar houdt het verhaal abrupt op, maar hij beschrijft het verhaal van de beginjaren in de Haarlemmermeer door de ogen van een kapelaan, wat toch weer een iets andere kijk geeft op die tijd.

 

Geschiedenis van de parochie van Onze Lieve Vrouw onbevlekt ontvangenis te Nieuw-Vennep gemeente Haarlemmermeer

 

§ 1. Iets over den Haarlemmermeerpolder

De Haarlemmermeerpolder weleer een gevaarlijk vaarwater, gelegen tusschen de drie Koopsteden Amsterdam, Haarlem en Leiden, werd drooggemaakt, ten gevolge van een orkaan van 29 November 1836.

Koning Willem I in het 24ste jaar zijne regering benoemde den 6 Augustus 1837 een Staats Commissie om onderzoek te doen naar de beste middelen om deze groote onderneming tot stand te brengen.. Men stelde een ontwerp zamen, dat door Koning Willem tot wetsontwerp gemaakt, in 1838 door de Tweede Kamer der Staten-Generaal met bijna algemene stemmen werd afgewezen; doch hetwelk, na een gewenschte verandering daarin gebragt, den 22 Maart 1839 met bijna algemene stemmen werd aangenomen.

Den 5den Mei 1840 ten aanzien van een ongewone volksmenigte werd bij Hillegom op eenigen afstand van den oever met een sierlijk bewerkte spade door den Staatsraad Mr. F. v.d. Pol onder een jubelend hoezee!... de eerste der millioenen steken gronds ter droogmaking van het Haarlemmermeer verwerkt.

Den 1ste Julij 1852 ging alom de kreet op, dat het Meer droog was, en werd den 7 July 1855 bij de wet de Haarlemmermeer als gemeente gevestigd (Zie de geschiedenis van het Haarlemmer Meer door P. Boekel, hoofdonderwijzer in de gemeente).

 

§ 2. Stichting der eerste kerken

Al spoedig zetten zich in het drooggemaakte Meer menschen van verschillende aard, stand, beroep en godsdienst neder. Zij die hunne godsdienst wilden waarnemen, gingen op Zon- en feestdagen naar de naburige gemeenten; dan het laat zich ligt denken dat verre afstanden, en moeijelijke wegen oorzaak waren van verregaande achteloosheid en verzuim van Godsdienstpligten. Immers Osdorp, Berkenrode, Vogelenzang, Hillegom, Lisse, Sassenheim, Oud Ade, Rijpwetering, Leimuiden, Kudelstaart, waren de plaatsen, waar Katholieken hunne kinderen lieten doopen, waar sommigen soms hunne kerkpligten gingen verrigten, en van waar in tijd van nood een priester gehaald werd, om den zieken de H.H. Sacramenten der Stervenden toetedienen.

Deze toestand duurde voort tot de maand December 1855. Toen zond Z.D.H Franciscus Jacobus van Vree, eerste Bisschop van Haarlem na de herstelling der Kerkelijke hiërarchie, een jeugdig en ijverig priester, den Eerwaarden Heer Joannes Steenvoorden tot Priester in dezen polder. De slechte en ongebaande wegen gedoogden niet, dat hij anders dan met zeer hooge laarzen en te paard de plaats zijner bestemming kon bereiken. Zijn eersten intrek was bij Joannes van der Hulst, een landbouwer op den Slooterweg tusschen den vijfhuizer- en Spaarnwouderweg, een achtenswaardig ingezeten van Haarlemmermeer in wiens huis de eerste H. Offerande voor de Meerbewoners werd opgedragen.

Om de moeijelijke correspondentie alsnog met de Meer, ontmoette de brave priester nog bijna een beletsel ter uitvoering van zijn godvruchtig voornemen, daar er ter verrigting der H. Dienst geen misgewaad was aangebragt, en mismoedig vertrok daarom de Eerwaarde Pastoor naar het nabijgelegen Berkenrode, en ontving er van den Eerw. Heer Pastoor Adrianus van der Weiden eene broederlijke opbeuring en het noodige misgewaad om met Kersmis van het jaar 1855 de H. dienst te kunnen opdragen. In 1856 achtte de pastoor het dienstig elders de  noodzakelijke Godsdienstoefeningen voor het volk te verrigten en koos daartoe in den volsten zin des woords een schuur, gelegen aan de Hoofdvaart, tusschen de Venneper en Bennebroekerwegen, waarin beurtelings Catholieken en Protestanten hunne Godsdienstoefeningen hielden.

Het duurde niet lang of er werd aan de hoofdvaart bij het Kruisdorp, van den Eigenaar Wobbe een andere schuur gehuurd, en om des te beter in de geestelijke behoeften van een uiteengelegen bevolking te voorzien, een tweede schuur opgeslagen aan den Spaarnwouderweg bij de Hoofdvaart, waar thans de parochiekerk van den H. Franciscus van Sales gebouwd is.

Niet lang daarna liet de Pastoor de schuur aan het Kruisdorp vervangen door een Kleine pastorie en steenen schuur onder één kap, gebouwd door J.W. de Heij, aannemer te dier plaatse naast de thans bestaande parochiekerk van den H. Joannes den Dooper aan het Kruisdorp (zoo genaamd omdat de hoofdvaart en hoofd- of middenweg daaromtrent elkander kruisen).

Het ruime veld waarvoor de arbeid der Herder gevraagd werd, en de steeds aangroeijende bevolking, bragt den Pastoor als toen in de noodzakelijkheid een sterken en ijverigen medehelper in het midden te roepen. Zulks gebeurde. Op zijn verzoek werd door den Bisschop van Haarlem een nieuw gewijd Priester, Jacobus Koekhoven tot dat einde in 1858 herwaarts gezonden, die aan de goede verwachting van de geestelijke overheid omtrent den jeugdigen priester, in deze moeijelijke bediening volkomen beantwoordde. Het ijverig samenwerken der beide priester moedigde met weinig den Godsdienstzin der Katholieken aan, zoodat men zich al zeerspoedig genoodzaakt zag, groote en duurzame kerken zich te verschaffen, en ook voor deze belangrijke onderneming deinsde Pastoor Steenvoorden niet terug. Vertrouwende op Gods bijstand en ondersteund door den alom beminde Bisschop, de geestelijken en Katholieken van het diocees van Haarlem, werd door den Pastoor dit werk ondernomen, en werden er twee doelmatige kerken, en één pastorie tot stand gebragt, waarvan de bouw met den 1sten Maart 1859 werd voltrokken, en de consecratie door den Bisschop den 24 mei 1860 plegtig verrigt werd, zijnde aan de kerk van Kruisdorp tot patroon gegeven de H. Joannes de dooper, aan die bij de Hoofdvaart aan de Spaarnwouderweg, de H. Franciscus de Sales.

De bediening der beide kerken werd beurtelings door den pastoor en Kapellaan waargenomen, totdat zij door den Z.H.W. Gerardus Petrus Wilmers, tweede Bisschop van Haarlem tot parochiekerken zijn verheven in de maand April 1862; terwijl op vertrek van den WelEerw. Heer Steenvoorden als pastoor naar Delfshaven; tot Pastoor van St. Jan de Dooper benoemd werd de Eerw. heer Wilhelmus Arnoldus Boerkamp, vroeger Kapellaan in Alkmaar; en van den H. Franciscus van Sales, Matheus Joannes Kerremans, uit het bisdom van Breda, die in 1860 den Eerw. Heer Koekhoven als Kapellaan was opgevolgd, en den 12 April 1862 naar de kerk van de H. Franciscus zich begaf met den last tevens om zoo spoedig mogelijk te voorzien in den opbouw eener pastorie, wijl er tot hiertoe nog voor geen waardig verblijf voor den nieuwen pastoor had kunnen gezorgd worden.

Van stonde af aan zag de Eerw. Heer Kerremans de noodzakelijkheid daarvan in, en liet door meergenoemden J.W. de Heij voor ongeveer 7000 gulden een doelmatige pastorie bouwen, welke som bij de scheiding der beide kerken tot dat doel werd afgezonderd.

 

§ 3. Stichting eener derde kerk of noodkerk

Hiermede toch, hoever reeds met Gods goedheid gevonden was nog niet, zelfs voor dien tijd in de dringende behoeften aan geestelijke zorg voorzien. Immers in het derde (Zuidelijke gedeelte) gedeelte van den Haarlemmermeerpolder woonden Katholieken, die langs slechte wegen een ongehoorden afstand moesten afleggen om hunne noodzakelijkste Godsdienstpligten te vervullen.

Dit ontging de aandacht van Haarlems Bisschop niet, die den 10 April 1862 een kerkelijke Commissie benoemde, bestaande uit den toenmaligen Pastoor Wilhelmus Arnoldus Boerkamp, Petrus van Rijn en Theodorus Beerepoot.

Bereids waren door Mejufrouw Antonia Catharina Settels, weduwe van Bernardus Hermanus Evers, twee bunders land geschonken bij acte van 8 Mei 1862 verleden bij den notaris G.J.C. van Vianen te Amsterdam, gelegen aan de Venneperdwarstogt Sectie PP 1 en tot aanvaarding derzelve gemagtigd bij Koninklijk besluit van den 2den Augustus 1862, toonende daarop eene kerk en pastorie te bouwen en tuin en kerkhof aanteleggen.
Door de hulp van onzen hooggeschatten Bisschop werd de Commissie in staat gesteld de onkosten der overdragt van het land te voldoen.

Op dit terrein was men voornemens een derde of noodkerk en pastorie te bouwen en wel zooals geschied is onder één dak. De bouwcommissie draalde niet om door meer genoemde J.W. de Heij, teekening, bestek en begroting te laten indienen, deze laatste bedroeg eene som van fl. 3500,- (met de noodige bijwerken geklommen tot ruim fl. 3800,-).
In een schrijven van October wendde men zich naar den Bisschop met verzoek om genoemde som (immers er was niets) ten laste der opterigten gemeente te mogen opnemen.
Bij schrijven van den 24 October van datzelfde jaar werd de daartoe verlangde magtiging verleend.
Hoe het mogelijk is dat de bouwcommissie de zaak reeds zoo ver heeft kunnen doorzetten laat zich niet begrijpen. Immers waarom zou een kostbaar gebouw opgetrokken, dat slechts dienen moest voor een noodkerk, en niet lang daarna, zoo men hoopte, moest vervangen worden door een voor de gemeente doelmatige kerk, en voor de pastoor betamelijke pastorie? Waarom een arme gemeente onder zulk een zwaren last voor de toekomst gedrukt? Men kon toch uit de gegevens aan het Kruisdorp en Spaarnwouderweg aflezen, dat van het betrekkelijk groot kapitaal van fl. 3800,- nooit de behoorlijke rente kon worden getrokken. Hoe 't zij, reeds tot nu toe wordt de kortzigtigheid der bouwcommissie in dit punt betreurd.

Den 25 November 1862 nam den bouw der noodkerk een aanvang, en werd de eerste steen gelegd door den eenigen zoon van Theodorus Beerepoot lid der bouwcommissie, van wien men altijd nog blijft hoopen, dat hij toonen zal deze eer en onverscheiding hooggeschat te hebben.

 

§ 4. Bediening der noodkerk

Op den 25 Maart 1863 was het gebouw voltooid, en werd het voor de Godsdienstoefeningen in gebruik genomen met een plegtig lof.
Eene vereeniging van dames uit Haarlem had inmiddels gezorgd voor altaarlinnen en gewaden om in den eersten mis te voorzien, terwijl de Eerw. Heer Pastoor Boerkamp tegen goede betaling de kerk opluisterde door eenige om de banken, die de kerk van St. Jan den dooper had ter zijde gezet.

Nu was er, hoe dan ook, een gebouw waar men op zon- en feestdagen aan zijne Godsdienstpligten kon voldoen. Maar helaas! een priester bleef ontbreken. Om het volk in zijne ontevredenheid hiervan eenigzints neertezetten, ging de Pastoor van het Kruisdorp iederen woensdag herwaarts om er de H. Mis optedragen, en den kinderen in de Christelijke leering te onderwijzen. Dan, dit benodigde nog weinig, wijl de menschen genoodzaakt bleven, dezelfde verre afstanden afteleggen om daar te komen, waar hunne pligten hen riepen.

Met den paaschtijd van het jaar 1863 werd de zaak iets vergemakkelijkt, toen de president der bouwcommissie met paaschzaterdag en beide volgende dagen aldaar gelegenheid ging geven tot biechten en de H.Mis te hooren, terwijl de Eerw. Pater Sweens van de congregatie des Allerheiligsten Verlossers uit Amsterdam in St Jan de Dooper de H. dienten verrigtte.

Het duurde niet lang, of men begaf zich naar Monseigneur Wilmer met het ootmoedig verzoek om een dienstdoende geestelijke, ten einde zich in een geregelde uitoefening der Godsdienst te verheugen. Het gebrek destijds aan priesters deed den Bisschop het verzoek van belanghebbenden in de wind slaan. Echter toen men vernam dat er een aanzienlijk getal Catholieken om de verre afstanden op verpligtingsdagen hunne Godsdienstpligten verzuimden, zond Z.D.H. de Bisschop den Eerw. Heer Henricus Schluter, kapellaan uit de Cathedrale kerk te Haarlem, maar om zijne zwakke gezondheid destijds buiten bediening, op zon- en feestdagen herwaarts, om hetgeen zich daar zoude opdoen te verrigten.
Dit behaagde Z.E.W. slechts korten tijd, en geen wonder, want voor iederen zon- en feestdag van Haarlem op Veenenburg per spoor, en van daar naar de plaats zijner bestemming trekkende; waar hij bij de bewoners der zoogenaamde noodpastorie een ellendige verzorging genoot, was niet te benijden, en deed al spoedig hem besluiten om aan den Bisschop te vragen van den lastigen post ontslagen te worden. De Eerw. Heer Schluter zag zijn wensch voldaan en werd, van na 1 Mei - 7 Juny alhier werkzaam geweest te zijn, den 8 Juny 1863 opgevolgd door de Weleerwaarden Heer Joannes Jacobus Bruijstens, die bij schrijven van den 4den Juny 1863 werd benoemd tot Kapellaan van St Jan den Dooper aan het Kruisdorp om tevens de H. dienst in de derde kerk te verrigten, en tot bekoming van een rijkssubsidie van f. 600,- even als de beide pastoors van Haarlemmermeer op titel van waarnemend Pastoor dier kerk als dusdanig den 3den Juny bij het gouvernement was aangegeven welke jaarwedde bij Koninklijk besluit van 17 July 1863 aan de betrekking verbonden werd.

Voor we verder gaan eerst iets over het reizen in die tijd

     
 

Reizen

Te voet, paard, kar of koets
Het reizen in de Haarlemmermeer is levendig beschreven door pastoor Johannis Steenvoorden. Vooral in de allereerste jaren waren de wegen onbegaanbaar en soms ronduit gevaarlijk.
De meeste mensen hadden geen eigen vervoermiddel en legde gewoonlijk afstanden te voet af. Die afstanden werden aangegeven in een tijd 'gaans'. Dat betekent: te voet gaan. Eén uur gaans is daardoor een afstand van ongeveer 5 kilometer. Dat is 5000 meter, of zoals Steenvoorden dat noemt: 5000 ellen. Op oude kaarten zie je soms afstanden aangegeven staan met de maat van 'x' uur gaans.
Anderen hadden het geluk over een paard en/of paard en (boeren)wagen te beschikken. Meestal waren dat karren voor op het land. Wanneer er genoeg geld was kon men zich een voor het personenvervoer geschikte wagen aanschaffen zoals een landauer of tilbury.
Rijke mensen hadden een of meerdere koetsen. Er waren ook mensen die zich als koetsier verhuurden, vergelijkbaar met een taxi.

Trein
De eerste treinen in Nederland rijden pas vanaf 1839, een particulier initiatief. Van Amsterdam naar Haarlem was het eerste traject. In 1847 was de lijn vanaf Haarlem tot Leiden verlengd, de 'oude lijn', gevolgd door een verlening van de lijn via Den Haag naar Rotterdam.
De oude lijn had meerdere stations. Kapelaan Schluter maakt gebruik van station Veenenburg.
Steenvoorden gaat onder meer naar Den Haag met de trein.

De reis per trein van Station Haarlem naar station Veenenburg, een afstand van ruim 10 km, duurde in 1869 ongeveer 30 minuten. De postkoets, toch een snelle verbinding, zal er een minuut of 50 over gedaan hebben. Lopend ruim 2 uur.
Vandaag de dag doet de NS er 10 minuten over en stopt dan ook nog een keer in Heemstede-Aerdenhout.

Wikipedia schrijft over Veenenburg:
Het station lag aan het einde van de Frederikslaan, direct op de grens met Lisse, zodat het destijds voor beide plaatsen gebruikt werd. Het werd gebouwd op het grondgebied van het landgoed Veenenburg en ontleende daaraan zijn naam. Het station werd zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer voor de opkomende bloembollencultuur gebruikt. Hiervoor waren extra goederensporen aangelegd.

Het station opende op 2 juni 1842 en was toen het eindpunt van de eerste verlenging van de Oude Lijn tussen Haarlem en Leiden. Op 17 augustus 1842 werd de spoorbaan van Veenenburg naar Leiden geopend. Het station lag ongunstig in duingebied tussen Hillegom en Lisse en voor beide dorpen ver buiten de dorpskern. De reden dat het station juist op deze plaats werd geopend was, omdat landeigenaar Leembruggen bij de verkoop van zijn land voor de aanleg van de spoorbaan had bedongen dat op zijn grondgebied een station zou worden opgericht, zodat zijn kinderen voor hun studie eenvoudig naar Leiden konden reizen. Bovendien mochten hier niet minder treinen stoppen dan op enig ander tussenstation op deze lijn.

Ondanks de verre afstand tot de dorpskernen werd het station wel gebruikt. Nadat in 1866 de spoorlijn was verdubbeld, waarbij breedspoor was vervangen door normaalspoor, werd een groot stationsgebouw gebouwd met daarnaast een koffiehuis. In 1888 werd nog een nieuwe goederenloods gebouwd. Echter ontstond er in deze jaren steeds meer verzet tegen de afgelegen locatie en de HIJSM wilde liever nieuwe stations elders in Hillegom en Lisse. In 1891 opende daarom tijdelijke nieuwe haltes in Lisse aan de Delfweg en aan de Pastoorslaan en Doodweg in Hillegom. Na vragen in de Tweede Kamer en een rechtszaak kon station Veenenburg op 1 oktober 1896 uiteindelijk gesloten worden. Ter vervanging heropende tijdelijk de halte Hillegommerbeek, tot in mei 1900 het Station Hillegom op de huidige plaats opende.

Het stationsgebouw werd in 1903 afgebroken. Anno 2019 staat op de locatie van voormalig station Veenenburg nog steeds een spoorhuis en een onbewaakte overweg.

Wikipedia Veenenburg met links het koffiehuisWikipedia: Veenenburg met links het koffiehuis.

Wikipedia Spoorzijde van Station VeenenburgWikipedia: Spoorzijde van Station Veenenburg. 

 
 

En eenmaal op station Veenenburg aangekomen?
Dan is kapelaan Schluter er nog niet, want dan moet hij nog naar Nieuw-Vennep, een afstand van bijna 8 km, dus nog eens een dik half uur met de koets, of 1 ½ uur lopen. Geen wonder dat hij dat snel beu was.

Station Veeneneburg   kerk Nieuw VennepLopen van station Veeneneburg naar kerk Nieuw Vennep.

 

 

 

Terug naar het verhaal over de noodkerk van Nieuw-Vennep

Terstond daarop werd door den Bisschop bepaald, dat de Kapellaan van die som [fl. 600] zoude afstaan fl. 200,- aan Pastoor Boerkamp voor het gebruik van paard en rijtuig tot uitoefening der H. dienst benodigd, terwijl genoemde pastoor verpligt zou zijn den Kapellaan ten minste één vrije intentie iedere maand te geven.

Sedert de Eerw. Heer Bruijstens in de betrekking van Kapellaan door den Bisschop, van waarnemend pastoor door het goevernement erkend was, werden de Godsdienstoefeningen in de noodkerk geregeld op zon- en feestdagen gehouden, werd er op de voornoemde feesten daags te voren gelegenheid gegeven om te biechten, was er dan lof en predicatie, en werd er ook in den regel 's woensdags voor alle kinderen boven de zeven jaar cathechismus gehouden en de H. Mis gelezen. Ook zondags een uur vóór de hoogdienst werd aan dezelfde kinderen onderrigting gegeven.

Eerst werden de Godsdienstoefeningen beurtelings door den Pastoor en Kapellaan verrigt, maar dat was niet van duur, wijl de pastoor al spoedig zich over den last en moeijelijkheden daaraan verbonden begon te beklagen, en geen wonder! als men bedenkt dat men met het ongunstige weder, op open tilbury den afstand van 1 ¼ uur gaans moest afleggen, dat men om de uitgestrekte vlakte alsnog in de Meer moeijelijk kon afleggen zonder gevaar van het rijtuig voor den hevigen wind te zien zwichten. Ging men in de lange dagen 's morgens hierheen, dan behoefde men niet angstvallig te zijn om de H. Mis bij zijn aankomst met eenigen schroom te verrigten, uit vrees dat men zich ontnuchterd had, door het inzwelgen der regen die gestadig in het aangezigt sloeg.
Ging men 's middag te voren, dan vond men in de noodpastorie een kamertje tot zijn beschikking, hetwelk toen bewoond werd door zekere Willem Overtoom en Anna Petronella van Aken zijne huisvrouw, en hetwelk voor die oogenblikken aan den dienstdoende geestelijke tijdens zijn verblijf aldaar moest worden afgestaan. Genoemde bewoners van het huis, waren volgens overeenkomst verpligt om voor de huur daarvan, den geestelijke te bedienen en het kerkje schoon te houden, hetwelk veel te wenschen overliet, terwijl de Kapelllaan nimmer het noodzakelijke voedsel werd verschaft, en dikwijls om omstandigheden ook, die liever niet zullen genoemd worden, zijn nachtrust onttrokken werd. Aan klagten daarover bij de personen, werd geen gehoor gegeven.

Naderende de advent van 1863. Ik behoef niet te zeggen, dat er op zedelijk gebied in een nieuwe streek waar menschen van verschillende stand, aard, landstreek èn levenswijze zamenwoonden veel te werken was, en rijke vruchten met Gods genade in te oogsten waren. Dit deed de Kapellaan verlangen om de zondagen in den advent aan bijzondere predicaties onder vroeg- en hoogdienst te wijden, en daartoe was noodig dat Z.E.W. zelf die dagen daar de H. dienst kwam verrigten. Dat gebeurde tot groot genoegen van den Pastoor en de gemeente, en wel ook met het beste gevolg. Niet alleen was dit immers een middel om de aanhoorigen te bewegen zich aantesluiten aan degenen die geregeld reeds hun godsdienstpligten hier kwamen vervullen, en die even als zij na korten tijd tot de opterigten parochie gingen behooren; maar ook velen door de genade Gods getroffen, verbeterden wat zij reeds voor lang verbeterd moesten hebben.

Na de advent was om verschillende reden de tegenwoordigheid van den Kapellaan hier noodig, die met het oog op de meditatiën over het lijden onzes Heeren, in den H. Vastentijd te houden, in 1864 geregeld iederen zon- en feestdag, en gedurende de werkdagen 's woensdags, de H. Godsdienstoefeningen bleef waarnemen, hetgeen niet weinig de nieuw te stichten parochie deed aangroeijen, zodat zich in den paaschtijd van 1864 reeds 403 communicanten hadden aangeboden, niet tegenstaande tot hiertoe nog allen vrij waren, waar ter plaatse zij hunne pligten wilden vervullen
In de paaschtijd van 1865 deden zich 427 communicanten op, en was dus het getal van vorig jaar met 24 vermeerderd.

Den 17 April 1864 werden door den Kapellaan voor het eerst kinderen tot de eerste H. Communie aangenomen en wel 11 jongens en 7 meisjes, zooals men denken moet, meest allen in verschillende plaatsen geboren.
den 25 Mei 1865 nam de Kapellaan slechts 10 kinderen aan nl. 6 jongens en 4 meisjes.

Middelewijl had men reeds herhaalde malen, hetzij regtstreeks hetzij zijdelings, gevraagd den Bisschop bekend te maken met zijn verlangen naar een eigen Pastoor, en waar het aan is toeteschrijven dat deze herhaald bede niet verhoord werd, begreep niemand, want ouders die in de schaduw der noodkerk woonden, zoowel als anderen moesten hunne gezondheid, ja die hunner zuigelingen opofferen, als zij op een afstand van een uur gaans en verder, het H. doopsel hun moesten laten toedienen.

Karig en ongeregeld was het Catechetisch onderwijs. Bij onverhoopte ziektegevallen moesten zij die in de nabijheid der noodkerk woonden, ongehoorde afstanden afleggen, om hunne zieken de H. Sacramenten der Stervenden te doen toedienen enz. enz. Misschien moeten wij hierin de reden zoeken, dat men niet goed een gebouw onder wiens lasten jaren lang een gemeente zou gekromd gaan, na zoo kort gebruikt te zijn, durfde in onbruik te stellen, dat zeker een jaar vroeger geschied was, ware er zooveel vroeger een eigen Pastoor aangesteld geworden. Of zouden welligt personen uit zeker eigenbelang of om welke reden dan ook de geestelijke overheid verkeerd hebben ingeligt? Ik meen ja, want korten tijd na de opbouw der derde kerk is Nieuwveen en Boscoop afgescheiden van Zevenhuizen en Raamburg. Beide afgescheiden gedeelten zijn onmiddelijk  tot parochie verheven, vergenoegden zich met een houten schuur tot zoolang de nieuwe kerken en pastorieën gereed waren, kregen aanstonds een pastoor, die bij fatsoenlijke burgers een afzonderlijke kamer bewoonde, en daar volgens hun waardigen stand verzorgd werden. Waarom dergelijke maatregel a fortiori niet genomen voor een arme gemeente als deze?!!

(Hier stopt de tekst)

 

De eerste pagina van het verslag van kapelaan Bruijstens:

Beschrijving geschiedenis kerk Nieuw Vennep blad 1