Hoofddorpse Courant 1996

 

Hoofddorp: 'Meer-historie. Het Rijke Roomse Leven van vroeger'. 

Met toestemming overgenomen: Slob: Hoofddorpse Courant van 17 oktober 1996.

 

Jan Steenvoorden 1

 

Naar de kerk op 'het oude land'

 Tussen de vele paperassen, welke de stichting 'Meer Historie' rijk is, lagen enkele dunnen boekwerkjes over wat wel eens genoemd wordt 'het rijke roomse leven' van vóór de oorlog. Zij waren aanleiding voor mij om eens aandacht te schenken aan en van u te vragen voor dat roomse leven in de beginjaren van onze polder.

Het aantal inwoners van de nieuwe polder was gering: toen de gemeente in 1855 ingesteld werd waren dat er maar 3000! Velen van hen woonden aan de Ringdijk in kleine huisjes of iets grotere panden wanneer het neringdoenden, herbergiers of jaagpaardenhouders betrof. De boeren - pachter of eigen boeren - woonden echter verspreid door de hele polder over ruim 18.000 ha kale kleigronden.

Zij, die in de nabijheid van de Ringdijk woonden en behoefte hadden hun godsdienstplichten te volbrengen, konden meestal zonder al te veel moeite terecht op 'het oude land', waar zowel voor de rooms-katholieken als voor de protestanten bedehuizen stonden om de gelovigen te ontvangen. Maar de rest - al die verspreid wonenden - waren op zichzelf aangewezen, omdat niet alleen de afstanden tot die kerken op het oude land te groot waren, maar meer nog omdat de wegen dikwijls onbegaanbaar waren.

Ik heb mij de laatste tijd door omstandigheden ook wat in dit onderwerp moeten verdiepen en ben tot de ontdekking gekomen, dat de toestand waarin het merendeel der wegen zich in de eerste jaren bevond, nóg slechter dan ik ooit meende.

Al enkele keren heb ik gelezen dat landeigenaren van belendende percelen de z.g. wegen enigszins berijdbaar maakten door ze te bedekken met... takkenbossen! U moet zich dat voorstellen: een voetpad over enige lengte met wat takkenbossen te bedekken is nog te doen, maar één kilometer rijweg op deze wijze te 'verharden' moet de belanghebbenden destijds kapitálen gekost hebben. Maar ze moesten wel, omdat ze anders hun landbouwproducten niet vervoerd konden krijgen...

Te voet

Omdat een mens nu eenmaal minder weegt dan een paard of een wagen was voor de meesten het te voet gaan nog de enige oplossing om ergens heen te gaan en dat deed men dan ook. Ook degenen, die behoefte hadden weer eens een kerkdienst bij te wonen en om in gezelschap van geloofsgenoten enige tijd te vertoeven. Zo ontstond natuurlijk al spoedig de wens dit regelmatig binnen de eigen gemeente te kunnen doen, zoals men dat ooit eerder op het oude land gewend was geweest. Er moest dus ergens een gebouw zijn waar men elkaar kon ontmoeten voor het gezamenlijk houden van erediensten. Die behoefte leefde bij zowel de protestanten als bij de katholieken en in die behoefte kon worden voorzien, doordat een zakenman ene flinke houten loods voor bijeenkomsten op kerkelijk gebied ter beschikking van beide geloofsrichtingen stelde.

Die loods stond daar waar men vond dat het middelpunt van de polder zo ongeveer gelegen was: aan de Hoofdvaart-oostzijde nabij de Bennebroekerweg. Daar werd - althans voor de protestanten - de eerste kerkdienst gehouden op 9 december in het jaar 1855.

Bij de katholieken lag dat iets anders, zo lees ik in het jubileumboekje van de Venneper parochie, uitgegeven in 1965. De naam Steenvoorden is de laatste jaren in r.k. kringen dikwijls gevallen, toen er geschreven werd over de pioniersjaren van dit kerkgenootschap in de barre, kale en dikwijls onbegaanbare polder.

Het was de naam van een zeer voortvarende pastoor, door de bisschop van Haarlem als 'bouwpastoor' naar de Meer gezonden met de opdracht de belangen van de verspreid wonende katholieken te gaan behartigen. U moet zich zulk een opdracht eens voorstellen, en het is Joannes Steenvoorden een onvervaard geloof en een onbegrensde werklust had, anders zou hij misschien zijn opdracht aan de bisschop hebben teruggegeven.

Sloterweg

De jonge pastoor had.... niets: geen parochie, geen pastorie, geen kerk, geen paard of paardengerei en - denk ik - ook geen geld. Hij wist niet beter te doen dan zich in te kwartieren bij een roomse boer: Johannes van der Hulst aan de Sloterweg tussen de Vijfhuizerweg en de Spaarnwouderweg (nu Schipholweg).

Ik heb op de bekende boerderijennaamlijst, door burgemeester Amersfoordt in 1868 opgesteld, eens nagekeken waar de boerderij precies stond. in 1868 woonde ene Johannes van der Hulst op de hofstede 'Rijkstee' op kavel EE-4 en dat was aan de oostzijde van de Sloterweg, ongeveer 800 m van de Schipholweg. Daar mocht de nieuwe priester zijn intrek nemen en dáár zal hij heel wat met Van der Hulst hebben afgepraat over te nemen maatregelen om een geordende parochie van de grond te krijgen.

De eerste echte roomse stap, dor de jonge geestelijke gezet, was het opdragen van de H. Mis ten huize van Van der Hulst. Hoeveel gelovigen onder zijn gehoor had, wordt niet vermeld. Het moet geweest zijn omstreeks het jaar 1855, het jaar waarin onze gemeente gesticht werd en de polder een eigen polderbestuur kreeg.

Als men op de kaart ziet waar Van der Hulst woonde dan zal het duidelijk zijn dat deze plaats voor de over de hele Meer verspreid wonende katholieken onmogelijk regelmatig kon worden bezocht. Er moest gezocht worden naar meer centraal gelegen plaatsen en dat waren uiteraard de door de droogmakingscommissie al geprojecteerde dorpen Kruisdorp en Venneperdorp (later Hoofddorp en Nieuw-Vennep genoemd).

afgezien van de afstanden naar Van der Hulst was het natuurlijk ook niet mogelijk zijn behuizing langdurig als kerk te gebruiken. Men moest op zoek naar iets anders en dat vond men gelukkig in de eerder genoemde loods aan de hoofdvaart nabij de Bennebroekerweg, waar ook de protestanten hun diensten hielden.

Waarom?

Waarom men daarna al zo vlug in een schuur in het Kruisdorp ging kerken, weet ik niet en nog vager is het besluit om in de buurt van het stoomgemaal van Lijnden een r.k. kerk te gaan bouwen. Volgens indertijd (in 1985) in ons blad afgedrukte jubileumartikelen over de r.k. parochies te Lijnden en Hoofddorp, zou dat een bisschoppelijk besluit zijn geweest, ingegeven door de veronderstelling dat de meeste katholieken in de noordelijke helft van de polder woonden en men met de kerk in Kruisdorp ook nog een aantal zuidelijker wonende geloofsgenoten kon bereiken.

Zo kwamen in het jaar 1860 zowel de kerk te Lijnden als die te Hoofddorp gereed en konden gewijd worden.
Vóórdat men het nieuwe, maar maar ook eenvoudige kerkgebouw te Hoofddorp in gebruik kon nemen werden de kerkdiensten dus nog korte tijd gehouden in een schuur in dit dorp gelegen, wachtend op het gereedkomen van een eenvoudig bedehuis. Als men dat zo leest was het allemaal wel héél eenvoudig, n.l. 'een kleine pastorie en een stenen schuur onder één dak gebouwd'. De bouw was aangenomen door ene J.W. de Heij, wiens naam men als bouwkundige in onze vroegste geschiedenis nog meermalen zal tegenkomen.

Nieuw-Vennep

Met dat al stonden er dus twee r.k. kerken in de noordelijke helft van de gemeente en begaven de r.k. gelovigen uit het zuidelijke deel zich vermoedelijk van tijd tot tijd naar de vlak over de Ringvaart gelegen parochies, hetgeen niet wegnam dat de behoefte aan eigen geestelijken bleef bestaan. In de praktijk was overigens gebleken dat de zielzorg vanuit Hoofddorp vrijwel onmogelijk was uit te oefenen. Bovendien was het aantal katholieken in het zuiden zeer gering en beschikte men in Haarlem - waar de bisschop zetelde - over weinig geldmiddelen. Belangrijk was natuurlijk wél dat op een gegeven moment ene mejuffrouw Settels, weduwe van Bernardus Henricus Evers, twee hectaren land schonk aan de r.k. kerk, waarop een kerk gebouwd kon worden. Dat stukje land was inderdaad voldoende om er een kerkgebouw op neer te zetten en het is hetzelfde stukje grond, waarop nog altijd een r.k. kerkgebouw staat.

Op dat stukje werd - in afwachting van de bouw van een échte kerk - alvast een noodkerkje neergezet. Dat was in 1862, waarna in 1865 de aanbesteding plaatsvond van een echte kerk, nadat voor Nieuw-Vennep ook een parochie was ingesteld, een volwaardige eenheid van de Nederlandse rooms-katholieke kerkgemeenschap en waren de eerste zeer moeilijke tijden daarmee achter de rug en kon 'het rijke roomse leven' een aanvang nemen.

Slob