Delfshaven

 

Professor L.J. Rogier: 'Geschiedenis van katholiek Delfshaven'.
Beschrijving van de bemoeienis van Steenvoorden bij de bouw van de kerk van Delfshaven sinds 1862 met verwijzingen naar het werk van Steenvoorden in de Haarlemmermeer.
In: Bijdragen van de geschiedenis van het bisdom Haarlem (1931) pag. 187 e.v.
(de spelling, en soms het woordgebruik, is aangepast aan de huidige tijd)

 

Delfshaven sinds 1862

Op 10 maart 1862 was de bouw van de Havenstraatsche kerk aanbesteed. Enkele weken daarna arriveerde de nieuwe pastoor. Zijn verschijning was als die van een komeet: kort, maar indrukwekkend. Hij kwam, bouwde en vertrok. Zo begint Professor Rogier zijn beschrijving van het leven en werk van pastoor Johannis Steenvoorden.

Delfshaven Havenstraatkerk

Links op de foto de kerk van de Sint Antonius Abt. Deze kerk was van 1863 tot 1918 in gebruik voor de rooms-katholieke eredienst. In 1933 is het gebouw, inmiddels gedegradeerd tot opslagruimte, gesloopt.
De achterkant van deze kerk grensde aan de Buizenwaal.

 

Joannes Steenvoorden (31 maart 1862 - 2 juni 1864), een struise boerenzoon uit Noordwijkerhout, was door de president van Warmond, de latere bisschop Van Vree, omstreeks zijn priesterwijding als volgt opgetekend: "een brave, goede, maar enigszins woeste jongen. Middelmatige student. Zijn preken is nogal redelijk, maar wat woest".
Zeker, deze fors gebouwde veertiger met bruuske manieren was een werker van rusteloze bedrijvigheid en een van de merkwaardigste pastoors, die de parochie gehad heeft.

Over zijn zonderlinge manieren, lopen nu nog grappige verhalen. En toch was hij een verdienstelijk priester, die, toen hij in Delfshaven kwam, al een taak volbracht had, waarvoor een priester in een beschaafd land zich zelden geplaatst zal zien. Hij was de eerste pastoor van de Haarlemmermeer geweest en had daar van 1855 tot 1862 gewerkt. Een belangrijke sociaalgeografische dissertatie van de laatste tijd [1] kan ons leren wat dat zeggen wil. Dit boek laat ons een kolonisatieproces zien, dat zich in die jaren in Nederland voltrokken heeft, zonder dat de barre hardheid ervan eigenlijk goed tot de buitenwereld is doorgedrongen.

Hij die, na Hageveld en Warmond en na kapelanieën in landelijke streken, door zijn bisschop (dezelfde, die hem destijds 'enigszins woest' had genoemd) naar dit onherbergzame land werd afgevaardigd, moet naast een ijzeren lichaam ook iets bezeten hebben van de zelfverloochening van de missionarissen onder de primitieven om het daar zeven jaar uit te houden.

Hij kwam in een land, dat in de eerste jaren na 1851 er als een ongerepte wildernis uitag, een land zonder verkeerswegen, waar het zelfs onmogelijk was zich te voet te verplaatsen. Gezeten op een paard, dat door planken onder de poten beschermd moest worden tegen het gevaar om in de drasse bodem te zakken, doorkruiste deze pastoor zijn parochie.

Hij kwam onder een bevolking van meest polderjongens, huizend in keten als oud-Germaanse hutten, onder een volk, waarin drankzucht en misdaad tierden, in een maatschappij met een primitieve structuur, waar een burgerlijke stand nog onbekend was en de huwelijken 'over den puthaak' werden gesloten [onwettig samenwonend].
Er heerste in die eerste jaren volstrekte regeringsloosheid (en dat onder een ministerie Thorbecke) [2]. De regering zond slechts haar marechaussees om de talrijke zwarte elementen [3] te beteugelen.

De toestand van de bodem was van zo een ongunstige invloed, dat cholera en malaria in bijna onbestreden hevigheid heersten. Elke medische hulp ontbrak aanvankelijk. De slachtoffers crepeerden, alleen gelaten, op de drasse grond van de keten. Er was zelfs geen kerkhof om hen te begraven.
Dat was het werkterrein van pastoor Steenvoorden. Memoires heeft hij blijkbaar niet nagelaten [4] en wie zal dus zeggen, hoe vaak hij op de zilte bodem van zo een keet is neergeknield om het laatste lijden te verzachten van een paria die daar stierf?

Er is aan dit pastoraat echter nog een andere kant dan al deze ellende die hij tegenkwam. Zulke omstandigheden moet iemand, die er aanleg voor heeft, sterken in het besef van eigen kracht en kunnen, leren er alleen voor te staan. Iemand met een ander karakter zou in deze troosteloosheid gemakkelijk ten onder kunnen gaan in somberheid. Steenvoorden groeide er uit tot de man van 'het doen zonder praten'.

De schrijver van de eerder genoemde dissertatie schetst ons een type leider in Mr. van Amersfoordt, de stoere en stugge herenboer-burgemeester, verruwd door het verblijf met drankzuchtigen en gedegenereerden, maar niettemin de stuwer naar welvaart en ontwikkeling; op den duur gehaat om zijn autocratische manier van werken en zijn meedogenloze oordeel, maar bewonderd tot ver buiten Nederland om wat hij tot stand bracht.
Zo ongeveer moeten we ons ook pastoor Steenvoorden voorstellen, toen hij in 1862 zijn Haarlemmermeerparochie zonder geschiedenis, inruilde voor Delfshaven met een verleden vol verdeeldheid en een heden vol van persoonlijke gevoeligheden, die allemaal ontzien wilden worden.

Het lijkt er op dat hij in Delfshaven de grove bezem hanteert, zo veegt hij alle gevoeligheden voor zijn deur weg. Het steeds uitvoerig overleggende en notulerende kerkbestuur schijnt compleet perplex te hebben gestaan. Met één slag wordt het achtergebleven uurwerk gelijk gezet. Pastoor Steenvoorden is meteen vanaf het begin degene die aan de touwtjes trekt. Híj bouwt de kerk. Híj beheert de penningen. Hij raadpleegt niet, maar commandeert. Hij staat totaal anders tegenover de samenleving van Delfshaven dan zijn voorganger.

Hij had immers afgerekend met de dorpse tegenstellingen, hij, die in de Haarlemmermeer schouder aan schouder met burgemeester, predikant en schoolmeester een nieuwe maatschappij had helpen opbouwen.
Te paard verkent hij de omgeving, knoopt gesprekken aan met iedereen die hij tegenkomt, met de veeboeren die hij begrijpt, met de bezitters van grote buitenplaatsen aan de Westzeedijk, die ook paardrijden en met wie hij de liefde voor het edele rijdier deelt. Zo is hij de eerste katholiek die de Delfshavense society binnenkomt met de innerlijke kalmte van een argeloze. Hij raakt op voet van vriendschap met burgemeester L.A. Bruyn en met een van de predikanten.

Als zijn kerk die in aanbouw is hem te klein lijkt, maakt hij voor zichzelf uit dat daar prima een mouw is aan te passen: er moet eenvoudig een stuk van de Buizenwaal gedempt worden.

Delfshaven Havenstraatkerk vanaf de Buizenwaal

De Buizenwaal is een haven waarvan de korte kant gelegen is achter de kerk. Met het dempen werd de haven dus iets korter.

Onmiddellijk naar het raadhuis en de zaak voorgelegd. Daar wordt voor hem een verzoek geschreven en de kerkmeester-secretaris heeft nu alleen nog even te tekenen. En toen de gemeenteraad goedgunstig over het verzoek beschikte, wreven de andere kerkmeesters zich de ogen uit.

Altijd bezig liet hij ook niemand die hij nodig had met rust. Nu nog vertellen oudere parochianen, dat aannemer, noch werklieden, noch kerkmeesters ooi veilig voor hem waren. Op de meest ongelegen uren overviel hij hen met zijn opdrachten. Een zoon van een van de kerkmeesters vertelde mij, dat het regelmatig gebeurde dat als de pastoor zijn vader voor het een of ander nodig had. Zijn vader, die gewend was vroeg op te staan, deed 's middags regelmatig een dutje. Zonder pardon kwam pastoor Steenvoorden binnen en liep door naar het bed waar de kerkmeester lag, porde hem met zijn eeuwige wandelstok onzacht wakker en bulderde zijn bevelen. Er viel niet met hem te redeneren, zo wordt nu nog verteld. Ruzie kreeg hij niet, eenvoudigweg omdat hij elke tegenspraak, protest of bedenking, radicaal negeerde.

Dat is de manier waarop hij bij enkelen nog jarenlang voor de geest stond in al zijn (on)hebbelijkheden: met zijn forse gestalte en stugge haren, dreunend stappend over de keien van de Havenstraat, of kranig te paard langs de buitenwegen dravend.
De Haarlemmermeer zou het land van de paardenfokkerij en  harddraverijen worden, het land van de paardenkenners en de paardenvrienden. Ook in dit opzicht is pastoor Steenvoorden een Haarlemmermeerman gebleven. Als pastoor te Voorburg reed hij paard tot op hoge leeftijd. Hij verzorgde het eigen rijdier, had verstand van paardenrassen en toonde belangstelling voor de wedrennen in het Voorburgse.

Maar voor zijn priesterlijke loopbaan, van de practische kant gezien, is het kenmerkend dat hij in alle drie zijn pastoraten een kerk heeft gebouwd: in de Haarlemmermeer, Delfshaven en Voorburg [5].

Jan Steenvoorden 2 

Een gewone pastoor heeft aan één kerkgebouw gewoonlijk genoeg voor zijn leven, maar pastoor Steenvoorden nam er drie voor zijn rekening.

 

Het verhaal van professor Rogier gaat nog verder, voornamelijk over de bouw van de kerk en de financiën. Samengevat komt het er op neer dat de bouw ruim 60.000,- gulden gekost heeft waarvan slecht fl. 4350,- aan subsidie heeft ontvangen. Voor dat luttele bedrag had men zich dus aan de voogdij van 's Rijks waterstaat verkocht.

Op 19 oktober 1863 [ruim 18 maanden nadat Steenvoorden in Delfshaven was aangekomen] is de kerk door Mgr. G.P. Wilmer geconsacreerd.

Gedurende de bouw van de kerk was het algemene idee dat het een mooie kerk zou worden met een mooie kerkelijke gevel, inclusief een hoofdtoren met luiklok en twee zijtorentjes, maar al spoedig oordeelde men niet zo gunstig meer. De torentjes vallen vrijwel geheel weg tussen de masten van de schepen in de haven. 'Indien de versieringen ons niet van het tegendeel overtuigden, zouden we denken dat het concertzaal of een protestants bedehuis zou zijn. Het langwerpig-vierkante gebouw zonder pilaren, mist al het kenmerkende van een rooms-katholieke kerk'. Anderen beamen dat en voegen er zelfs aan toe dat, als het een concertzaal zou zijn, deze zeer lelijk is. Het is een van de lelijkste waterstaatskerken die ik ken, wordt er aan toegevoegd.

Steenvoorden heeft aan het ontwerp of het bestek niets meer kunnen toevoegen omdat de aanbesteding al voor zijn komst had plaatsgevonden. Alleen de verlenging [van een deel] van kerk waarvoor een stukje van de Buizenwaal gedempt moest worden, hebben we aan hem te danken.

In de jaren erna moesten al snel diverse reparaties worden uitgevoerd. Het dak moest snel van nieuwe pannen worden voorzien, de toren van nieuwe leien, en de muren 'geportland cement'. In 1887 moeten de muren geschoord worden en een jaar later moet de hoofdtoren onverwijld gerepareerd worden en de zijtorentjes worden afgebroken, terwijl deskundigen adviseren dat het beter zou zijn ook de hoofdtoren af te breken.In 1901 moet het gewelf van het priesterkoor gestut worden omdat een 'allergevaarlijkste' scheur ontdekt is. In 1902 moet dak en toren opnieuw gerepareerd worden. En zo gaat het maar verder. Telkens blijkt hoe slecht de constructie en de afwerking waren.

Nog in 1863 was het kerkbestuur met de aanleg van het kerkhof begonnen. De  grond daarvoor aan de Beneden-Westzeedijk, vlak bij de boerderij van Van der Valk, was door deze geschonken. De aanleg kostte fl. 7.000,- die door een renteloze lening gedekt werd. In 1874 is op het kerkhof een kapelletje gebouwd, maar dat heeft alleen dienst gedaan als kleedkamer voor de priester.
In datzelfde jaar richtte Steenvoorden nog een mannen-congregatie van de Heilige familie op.

Na het voltooien van deze ondernemingen - kerkgebouwen en kerkhofaanleg - vertrok pastoor Steenvoorden begin juni 1864 naar Voorburg.

 

En hoe ging het verder?

Voor een mooie toekomst was het gebouw vanaf het begin niet weggelegd. In 1918 is het inmiddels vervallen kerkgebouw, na 55 jaar als kerk gebruikt te zijn, gesloten.

In 1922 is het gebouw, inmiddels gedegradeerd tot opslagruimte, gesloopt.

Tussen 1928-1930 is op die plek een nieuwe kerk gebouwd: Kerk Sint Antonius Abt, ontworpen door A.J. Kropholler.
In 1973 is de kerk gesloopt.

 

Voetnoten:

[1] N.H. ter Veen, De Haarlemmermeer als kolonisatiegebied. Proeve eener sociaal-geografische monografie. Gron. 1925.

[2] Thorbecke is de grondlegger van de Nederlandse parlementaire democratie. In 1848 trad de nieuwe Grondwet in werking. 

[3] Zich wetteloos gedragende mensen (polderjongens).

[4] Onder de correctie deelt Pastoor Berkhout mij mede, dat onder de nagelaten papieren van Pastoor Steenvoorden zich toch een handschrift van bovenbedoeld karakter bevond. Ik heb het nog niet kunnen opsporen.

[5] In de pastorie te Voorburg hangt zijn portret, hoog 78 cm, breed 64 cm. Schilder onbekend.

 

 


Havenstraat - Antonius Abt of Havenstraatse Kerk (1863 - 1918)

Deze kerk werd gebouwd op de plaats van de voormalige schuilkerk uit 1792, in Delfshaven. Deze was inmiddels zo bouwvallig geworden dat nieuwbouw noodzakelijk werd. Op 12 juni 1862 werd de eerste steen gelegd. Op 19 oktober 1863 werd de kerk ingewijd. Het ontwerp van de kerk was van architect B.M. Schreijer.

In 1918 werd de inmiddels vervallen kerk gesloten. De kerk heeft daarna nog kort dienst gedaan als kinderkerk, maar werd op last van de bouwpolitie gesloten en de toren onmiddellijk gesloopt wegens bouwvalligheid. Daarna heeft de kerk nog enige tijd dienst gedaan als opslagruimte, maar ze is uiteindelijk in 1922 gesloopt.

In 1928-1930 is ter vervanging aan de Jan Kruijffstraat in Delfshaven de nieuwe St. Antonius Abtkerk naar ontwerp van architect Kropholler gebouwd.

 

Wikipedia

De Sint-Antonius-Abtkerk was een katholieke kerk in de Rotterdamse wijk Tussendijken. De kerk stond aan de Jan Kruyffstraat en was gewijd aan de heilige Antonius Abt.

De parochie van de Heilige Antonius Abt was de oude parochie van Delfshaven die tussen 1417 en 1574 haar kerkgebouw had in de Oude Kerk. Bij de reformatie verloor de parochie haar kerk en werden gedurende vele jaren schuilkerken gebruikt.

In 1863 werd een kerk aan de Havenstraat in gebruik genomen. Na de annexatie van Delfshaven door Rotterdam werd in het begin van de 20e eeuw een begin gemaakt met de bouw van de wijken Bospolder en Tussendijken. Het gebied tussen de Noordschans, de Mathenesserdijk en de Jan Kruyffstraat werd bestemd voor de bouw van katholieke scholen en een nieuwe parochiekerk. Vanwege de Eerste Wereldoorlog kreeg de parochie de financiering voor een kerk niet rond, waarna een houten noodkerk werd gebouwd. Deze werd in 1918 in gebruik genomen. Na de bouw van de noodkerk werd de bouw van de scholen ter hand genomen en in 6 april 1930 werd de nieuwe Antonius-Abtkerk ingewijd door bisschop Aengenent. Zowel de scholen als de nieuwe kerk waren ontworpen door architect A.J. Kropholler. De kerk geldt als een van diens belangrijkste werken en was uniek in zijn oeuvre vanwege de centraliserende plattegrond.

In de kerk hing het zogenaamde Piet-Heynskruis, een ivoren crucifix van ongeveer 1 meter lang, dat door Piet Heyn is buitgemaakt bij de verovering van de Zilvervloot. Dit kruisbeeld zou volgens de overlevering aan de katholieke Delfshavenaars geschonken door Piet Heyn. Het Piet-Heynskruis heeft vanaf 1730 in de toenmalige schuilkerk aan de Kruisstraat in Delfshaven gehangen en is nog steeds in de parochie aanwezig.[1]

In de Tweede Wereldoorlog werd de wijk getroffen door een bombardement waarbij ruim 400 mensen om het leven kwamen en 16.500 mensen dakloos raakten. De kerk en de directe omgeving werden niet geraakt.

Vanaf de jaren zestig kreeg de parochie te maken met een terugloop in het aantal parochianen door de ontkerkelijking van de wijk. Op 5 september 1971 werd de laatste mis gehouden en begin 1973 werd de kerk gesloopt. Op de plaats van de kerk werd een bejaardenhuis gebouwd, De Schans, waar voor de parochianen een kerkzaal was. Inmiddels is ook het bejaardenhuis gesloopt en in 2008 vervangen door een nieuw gebouw.